Voor zover niet geveld door de griep en versterkt met twee belangstellenden bespraken wij maandag 22 maart De Acht Bergen van Paolo Cognetti. Over het algemeen positief al vond niet iedereen het een geweldig boek. Het boek laat zich gemakkelijk lezen. Cognetti beschrijft wat er gebeurt en hoe het voelt, hij laat het oordeel aan de lezer over. Een psychologische roman met goede karaktertekening van de personages. Ook de plot zit goed in elkaar. De elfjarige Pietro gaat ieder jaar met zijn ouders naar een bergdorpje Grana. Zijn moeder houdt van het eenvoudige leven in de bergen. Zijn vader is een moeilijke, eenzelvige man die maar één ding wil: tochten maken in de bergen, strijdend tegen zichzelf om sneller en zwaarder omhoog te gaan dan een ander en die ook zijn zoon wil meeslepen op dat soort tochten. De emoties van de, soms dramatische, alpiene tochten worden goed beschreven maar we leren weinig van hoe een alpinist te werk gaat. In Grana sluit Pietro vriendschap met de boerenzoon Bruno die Pietro inwijdt in de geheimen van de bergwereld. Die vriendschap blijft het hoofdthema van het boek. Psychologische observaties over hoe Bruno en Pietro en hun ouders hun leven beleven, menselijke verhoudingen met veelal moeizaam contact “een gevoel van intimiteit dat me tegelijkertijd aantrok en afschrikte, als een opening naar onbekend terrein”. Observaties mede vorm gegeven door metaforen voor de levensgang als de rivier “die alles meebrengt, insecten, takken, bladeren wat dan ook” en daarin de forellen ”die hun staart bewogen om op dezelfde plaats te blijven”, en die “stroomopwaarts kijken, in afwachting van hetgeen er aankomt” en die dan “plotseling op hun prooi afstoven”.

Bij de bespreking van dit boek kwam ook weer de vraag op “vrije of gestructureerde analyse van een roman?” De OU cursussen gaan uit van een meer gestructureerde analyse van literaire werken, maar de leesclub is zeer gehecht aan vrije discussie, al wordt die discussie wel in belangrijke mate mede bepaald door de kennis opgedaan in de OU cursussen.

Pietro en Bruno leven nogal eenzijdig, alleen maar gefascineerd door de bergwereld (van Noord Italië). Pietro voelt zich vreemd in de stad, “toen ik Grana voorbij was had ik als altijd het gevoel dat ik het vergif achter mij liet”. En Bruno “deed zoals altijd alsof de stad niet bestond”. De Acht Bergen suggereert daarbij dat je zonder zorgen en zonder je om iets anders te bekommeren kunt genieten van het traditionele berglandschap, van de natuur waar het massatoerisme van de grote skigebieden op afstand blijft. Pietro en Bruno lijken in dit opzicht een variant van de moderne massamens die Ortega y Gasset beschreef als “hij denkt alleen aan zijn lusten, hij denkt dat hij alleen rechten heeft en gelooft niet in verplichtingen”. In voorgaande eeuwen was er armoede en weinig mogelijkheden. De toenemende welvaart vanaf 19e eeuw ging gepaard met dankbaarheid en nederigheid. Maar, zegt Ortega, geleidelijk werd de luxe vanzelfsprekend. Het kwam de mens toe, hij kon het eisen zonder dat er verplichtingen tegenover stonden. Dat geldt ook voor de bergen. In voorgaande eeuwen was het berglandschap woest en ontoegankelijk. Pas de moderne vervoersmiddelen en de welvaart van de mensen maakten de bergen tot een aantrekkelijk en gemakkelijk bereikbaar gebied. Na 100 jaar toerisme is wat Cognetti beschrijft alweer grotendeels nostalgie, waar mensen overigens nog graag in geloven. Dat gebied verdwijnt nog sneller als mensen als Cognetti uitbeelden dat het daar heel prettig is, maar niet duidelijk maken dat, als je daar naar toe gaat, je ook de plicht hebt om bij te dragen aan de bescherming van die wereld. (Ook Bij wintersport bestaat die onnadenkendheid, bijvoorbeeld over de invloed van kunstsneeuw (met grote fabrikanten van sneeuwmachines in Cognettis’ Dolomieten). Vorige week concludeerde The Economist in een artikel over skiën: “How paradoxical. Snow-sports enthusiasts think of themselves as great lovers of nature and clean air, more conscious than most people of the changing climate. Yet their sport is becoming ever more man-made, expensive and exclusive. Perversely, it is also becoming more polluting, producing ever more emissions of greenhouse gases to survive. That only hastens the melting of the snow and ice.”)

Pietro maakt een aantal reizen naar Nepal, een bergwereld met nog grotere en nog mooiere bergen. Cognetti romantiseert Nepal. Pietro ziet niet hoe moeilijk de Nepalese samenleving is. De absolute monarchie is verdreven onder invloed van de communisten, maar Nepal is nog steeds één van de armste landen van de wereld en slecht bestuurd. “De bestuurders van Kathmandu waren gewoon carrièrepolitici” zegt Pietro. Niet zozeer carrièrepolitici als wel door en door corrupt. (Vanwege de corruptie ziet de Nederlandse bergsportvereniging geen kans haar toeslagen voor CO2 neutraal reizen verantwoord in Nepal te investeren.). Pietro ziet vooral een arm land met veel hulp van ngo’s en idealistische vrijwilligers. “Dorpen waar scholen of ziekenhuizen werden gebouwd, waar landbouwprojecten of werkprojecten voor vrouwen worden opgezet”. In de bergen “onder idealisten voelde ik mij thuis”. Komt hij daar ook toeristen tegen? (Toerisme is de belangrijkste investering vanuit het westen, daar is geld mee te verdienen.) Nee, Pietro komt een oude, arme Nepalees tegen met een mand met kippen op zijn rug. Die geeft hem spirituele uitleg over het leven. Een cirkel met acht bergen en in het midden de de Sumeru. “… wie zal meer hebben geleerd, hij die de tocht langs de acht bergen heeft gemaakt of hij die de top van de berg Sumeru heeft bereikt?”

Je kunt zeggen Cognetti schrijft literaire fictie, de werkelijkheid doet er niet zo toe. Dat is hoogst twijfelachtig. Een roman doet ons iets. Teksten, ook romanteksten, en ook de impliciete, onuitgesproken waarden en veronderstellingen daarin, beïnvloeden ons wereldbeeld. Dat geldt niet alleen voor romans zoals De Cirkel of Het Verhaal van de Dienstmaagd.

Binnenkort