Op 5 oktober bespraken we het boek “Waar geen wil is, is een weg. Doendenken tussen Europa en Japan” van Henk Oosterling.

Oosterling is hoofddocent in de filosofie aan de Erasmus Universiteit en heeft geruime tijd in Japan doorgebracht. Hij beoefende daar het Japanse zwaardvechten. In het voorwoord van zijn boek schrijft hij: ‘Wat zijn de verschillen en overeenkomsten tussen het westerse en het oosterse denken? Zijn de levensvisie en levenshouding van de ‘doorsnee’ Aziaat radicaal anders dan die van de ‘gemiddelde’ Europese burger? De westerse hang naar vrijheid met zijn nadruk op kritisch denken en autonoom handelen versterkt het ego. In het oosterse verlangen om bevrijd te worden van de begeerte als oorzaak van het lijden wordt het ego juist vernietigd. Is er sprake van een onoverbrugbare kloof tussen deze culturen? Staan ze haaks op elkaar? Of verraadt deze suggestie impliciet ons ‘oriëntalisme’: onze even romantische als koloniale kijk op oosterse culturen?” De auteur stelt hiermee interessante vragen.

Het boek is een mix van autobiografie, oosters (vooral Japans) denken en westerse filosofie. De inhoudsopgave vermeldt een reeks hoofdstukken met achtereenvolgens de woorden lichaamsdenken, doodsdenken, nietsdenken, identiteitsdenken, differentiedenken en tussendenken. Dit suggereert dat het boek een strakke structuur heeft, maar helaas is dat niet het geval. Oosterling heeft in een interview eens gezegd dat hij dit boek geschreven heeft zoals hij praat. In hetzelfde interview zegt hij: ‘waarom makkelijk doen als het ook moeilijk kan?’ Zoiets kun je echter beter laten als je een filosofisch boek van meer dan vierhonderd pagina’s wilt schrijven. Het resultaat is een werk met een rommelige compositie, herhalingen, slordige formuleringen en soms onbegrijpelijke zinnen. Verscheidene leden van de filosofieclub hebben het boek daarom niet kunnen of willen uitlezen. Men vond het te taai, te chaotisch of niet interessant.

Naast deze kritiek moet opgemerkt worden dat het boek ook boeiende hoofdstukken heeft en passages die tot nadenken stemmen. Positief werd de beschrijving van de Japanse cultuur beoordeeld. Ook de manier waarop de westerse filosofie in Japan werd geïntroduceerd is heel leesbaar. Het nihilisme vormt een van de centrale begrippen in het boek. Oosterling schrijft uitvoerig over het nihilisme bij Hegel en Nietzsche. Vanuit een oosterse invalshoek onderzoekt hij de vele vormen van het nihilisme: negatief, reactief en passief. Vervolgens pleit hij voor het affirmatieve nihilisme. Daarmee bedoelt hij het niet meer willen in plaats van het niets willen. Het affirmatief nihilisme is volgens Oosterling het wezenlijke aspect van de filosofie zoals die aan de universiteit van Kioto werd ontwikkeld. De auteur geeft in dit verband ook veel aandacht aan het Japanse begrip Ma dat verwijst naar leegte. Het gaat dan niet om afwezigheid van iets, maar om de ruimte tussen de objecten of begrippen. Hierbij past de uitdrukking: leegte is vorm, vorm is leegte. Ook vraagt Oosterling zich af of we Japan als een postmodern land moeten beschouwen.

Een groot deel van het boek behandelt het differentiedenken, een concept dat aan Foucault ontleend is. Oosterling schrijft: ‘In zijn kritiek op de moderne normalisering die in de disciplinering besloten ligt, zoekt Foucault een andere manier van leven. Hij stelt zich een andere levensstijl voor waarvoor niet de genormaliseerde, moderne identiteit maatgevend is, maar waarin meer ruimte is voor verschillen, voor differenties.’ De auteur ziet hier op een indirecte manier overeenkomsten met de Japanse manier van denken. Dit is een opvallende gedachtensprong omdat Oosterling eerder uitvoerig heeft geschreven over de positieve betekenis van het formalisme en het rituele gedrag in de Japanse samenleving.

Het boek eindigt met drie lange zinnen die typerend zijn voor de stijl van de schrijver:

Wat Adorno en Horkheimer ‘de systeemdwang van de instrumentele rede’ noemen, heb ik in een eerdere publicatie de ‘radicale middelmatigheid van de huidige human condition’ genoemd (Oosterling 2000). Net als de disciplinering die Foucault schetst, zullen we ons als wereldgemeenschap bewust moeten worden van deze radicale middelmatigheid, om deze vervolgens in een gefaseerde transitie om te zetten in een op interesse gebaseerde levensstijl waarvan niet individuen maar relaties de primaire focus zijn. De noodzaak om hierin op wereldschaal samen te werken benadrukt eens te meer het belang van een intercultureel doendenken waarin de productieve uitwisseling van ervaringen, gedachten, concepten en discoursen een substantiële bijdrage zal leveren aan een ander leven in dit leven.

Wie kennis wil maken met de gedachten van Oosterling zonder zijn boek te lezen kan ook op het internet terecht.

 

Binnenkort