Op 17 oktober 2019 bespraken we het boek ‘Bespiegelingen over levenswijsheid’ van Arthur Schopenhauer. Het boek kwam gereed in 1850 maar de auteur had moeite om het uitgegeven te krijgen. Zijn eerdere werken waren nauwelijks verkoopbaar gebleken. Nadat in Engeland een positieve bespreking van het nieuwe boek was verschenen kreeg Schopenhauer eindelijk ook in Duitsland waardering en het nieuwe boek werd zelfs een groot succes. Schopenhauer beschouwde dit boek niet als een echt filosofisch werk zoals zijn eerdere boeken en dan met name het boek ‘Die Welt als Wille und Vorstellung’. Het nieuwe boek ‘Bespiegelingen’ is eigenlijk een filosofie voor de wereld. Het menselijk bestaan is in zichzelf niet waardevol, maar nu we er toch zijn komt de vraag hoe kun je er het beste van kunt maken. Als er geluk zou bestaan waar moet je het dan zoeken? Als belangrijkste regel voor de levenswijsheid citeert Schopenhauer Aristoteles: “Een verstandig mens is op smarteloosheid uit, en niet op genot”.

Schopenhauer onderscheidt drie bronnen van het menselijke geluk: ‘Wat iemand is’, ‘Wat iemand heeft’ en ‘Wat iemand voorstelt’. Het belangrijkste voor ons geluk is dan onze persoonlijkheid, samen met een goede gezondheid. Nadat Schopenhauer de drie bronnen heeft uitgewerkt volgt een hoofdstuk met vermaningen en maximen en tot slot een hoofdstuk over het onderscheid tussen de levensfasen. De adviezen weerspiegelen het leven zoals Schopenhauer dat zelf leidde. Hij beseft echter ook wel dat niet iedereen zo welgesteld is om zijn levenswijze te kunnen volgen. Je moet geen genot najagen maar er naar streven van pijn gevrijwaard te blijven. Wie streeft naar genot loopt tal van risico’s. De belangrijkste bron van ellende – als men afziet van ziekte – zijn de anderen. Je moet daarom heel voorzichtig zijn in de omgang met anderen en je vooral niet blootgeven. Eenzaamheid is het beste.

Hans Driessen, de vertaler van het boek schrijft in zijn nawoord: “….. men [kan] de Aphorismen opvatten als de weergave van de poging van het genie Schopenhauer om zich in deze weerbarstige wereld, waar het gepeupel en de kruideniers de dienst uitmaken, staande te houden en een enigszins draaglijk bestaan te bevechten. Hij stelt zijn eigen ervaringen te boek en presenteert ze aan gelijkgezinden, aan mensen met een of ander talent (vandaar dat de Aphorismen zo populair waren onder artistiek aangelegden), zodat ze met deze leidraad een weg kunnen vinden om hun talenten optimaal te ontplooien, tegen de verdrukking in, en ondanks alle tegenwerking van bekrompen geesten. Hij presenteert de wereld dus naast een absolute ethiek, de ethiek van de heilige, nog een tweede ethiek, een relatieve en pragmatische ethiek, kortom een levenswijsheid.”

Wat was onze mening over het boek? Bijna iedereen vond het een zeer leesbaar en ook wel humoristisch boek. Vanzelfsprekend is het mogelijk dat sommige passages die wij humoristisch vinden door Schopenhauers helemaal niet als zodanig bedoeld waren (of omgekeerd). “Bij dat wat iemand heeft heb ik niet vrouw en kinderen gerekend; dat komt omdat hij veeleer door hen bezeten wordt”. We vinden veel van de persoonlijkheid van Schopenhauer terug in het boek en tegelijk geeft het boek soms ook een bepaald beeld van zijn tijd. In het hoofdstuk ‘Wat iemand voorstelt’ gaat Schopenhauer bladzijden lang tekeer tegen de eerzucht van veel van zijn tijdgenoten. “Zoals uitgescholden worden een schande is, zo is schelden een eer. ….. Daarom is de onbeschoftheid een eigenschap die waar het de eer betreft elke andere eigenschap compenseert of overtreft.” Iets verder schrijft hij: “Er bestaat naar één schuld die onvoorwaardelijk betaald moet worden: de speelschuld, die dan ook toepasselijkerwijs de naam van ‘ereschuld’ draagt. Met alle overige schulden, zowel aan joden als aan christenen, hoeft men het niet zo nauw te nemen: dat schaadt de ridderlijke eer in het geheel niet”.

Schopenhauer komt in het boek op ons over als een oude en welgestelde, maar mopperige misantroop. Bij de discussie viel ook het woord autistisch. Of dat beeld helemaal juist is valt nu moeilijk te achterhalen. Schopenhauer had zeker een bijzonder negatieve mening over vrouwen. “De vrouw verlangt en verwacht van de man alles, …. De man verlangt van de vrouw allereerst in directe zin slechts één ding. …. Op deze regeling is het welzijn van het hele vrouwelijk geslacht gebaseerd.” Met dit soort uitlatingen zou een auteur in 2019 onmiddellijk weggezet worden als een ‘male chauvinistic pig’ en de kans om zijn boek gepubliceerd te krijgen zou nihil zijn.

Behalve het pessimisme over de mensheid had het boek ook een realisme en nuchterheid die de gegoede burgerij aansprak en waardoor het boek een groot lezerspubliek trok. De vertaler verklaart dit uit de veranderde tijdgeest. Na de mislukte revolutie van maart 1848 en daarna het opheffen van de Nationale Vergadering in 1849 keerde de burgerij zich af van de politiek en ook van de filosofie van Hegel die aan die politiek had bijgedragen.