Op 18 juli 2019 bespraken we enkele hoofdstukken uit het boek ‘De esthetische revolutie’, Arnold Heumakers.

De auteur onderzoekt hoe Verlichting en Romantiek de kunst uitvonden. Hij schrijft: “De Romantiek lijkt iets uit het verdeden, maar dat geldt niet voor het tegelijk er mee opgekomen kunstbegrip”. Het romantisch-moderne kunstbegrip benadrukt originaliteit, scheppingskracht, individuele smaak en genie. De basis voor dit kunstbegrip ligt in de esthetische autonomie. Dit betekent dat kunst in principe onafhankelijk is van moraal, religie, politiek en wetenschap.

Heumakers beschrijft de ontwikkeling van deze gedachtegang via een lange reeks denkers. De eerste van hen is René Descartes en hij wordt gevolgd door tal van Fransen, Duitsers en Britten en ook Nederlanders als Hemsterhuis en Spinoza. Veel aandacht wordt gegeven aan Immanuel Kant die via zijn boek ‘Kritik der Urteilskraft’ veel invloed heeft gehad op het denken over kunst en esthetica. Kant schrijft o.a. dat het schone een symbool is van het zedelijk goede.

Kant probeerde in zijn werk filosofie en poëzie strikt uit elkaar te houden. Hij had bij kunst eigenlijk alleen maar belangstelling voor poëzie en dat geldt in feite ook voor (het boek van) Heumakers. De Romantiek is ook heel duidelijk aanwezig in de beeldende kunsten maar dat blijft in het boek helaas onderbelicht.

De gedachte dat kunst en kunstwerk autonoom zijn wordt in 1788 voor het eerst duidelijk verwoord door Philipp Moritz, nog eerder dan door Goethe die vaak als bedenker van dit idee wordt genoemd. Met dit denkbeeld is de Verlichting overgegaan in de Romantiek en dat is waar de titel van het boek naar verwijst. Voor Moritz is belangeloze contemplatie de enige houding die past bij een waarachtig kunstwerk. De kunst vereist zowel bij de kunstenaar als bij het publiek exclusieve toewijding aan haar eigen perfectie. Ware kunst verheft de ziel. Kunst lijkt nu de plaats van God ingenomen te hebben. Heumakers schrijft dat behalve op een fundamenteel niveau er meer verschil is dan overeenkomst tussen religie en de romantische kunstbeleving. De overeenkomst is dat zowel kunt als godsdienst er zijn om het leven zin en betekenis te geven.

Het boek gaat verder met analyse van het werk van Goethe en Schiller, maar dat hebben we niet besproken. Evenmin hebben we het deel gelezen dat over de Frühromantik gaat.

Aan het einde van het boek behandelt Heumakers de nihilistische keerzijde van de Romantiek. Romantici als Schlegel en Novalis kunnen op een bepaalde manier als voorlopers van Friedrich Nietzsche worden beschouwd. Zij vertrouwden op eigen kracht en creativiteit maar de filosoof Jacobi schreef dat we zonder God geen idee hebben van het Goede. Schlegel had geschreven: “Niets is origineler dan de chaos.” Hiermee zou hij bedoelen dat uit dit niets, deze chaos, “de hoogste schoonheid, zelfs de hoogste orde” moest ontstaan dankzij de aanraking door de liefde, de liefde die schept en zich manifesteert als poëzie. Ook de kritiek op de Romantiek en het estheticisme door Jean Paul, Hegel, Kierkegaard en Carl Schmitt worden behandeld. Heumakers zegt hierover: “Het probleem zit in de ‘wereldse’, buitenliteraire pretenties van de Romantiek. Het romantische wordt onacceptabel zodra het zich uitbreidt tot het hele leven;…”

Uiteindelijk concludeert Heumakers: “De verheven positie van de kunst door de Romantiek ondervindt concurrentie van politiek, religie, economie, wetenschap en techniek. …. Het romantisch engagement heeft buiten de kunst en literatuur nooit tot een succesvolle ‘esthetische revolutie’ geleid. …. Binnen de autonoom geworden kunst en literatuur was de ‘esthetische revolutie’ van de Frühromantik wel degelijk een succes. …. Als volwassen doctrine was l’art pour l’art het product van de negentiende eeuw. … De kiemen van l’art pour l’art liggen niettemin in het Duitse romantische denken van de late achttiende eeuw, …”.

Tot besluit trekt Heumakers de lijn door naar het heden: “Met de autonomisering van de schone kunsten, met de uitvinding van ‘kunst’ en ‘literatuur’, begint dus ook een zoeken naar functionaliteit, naar zin en betekenis van de kunst, en dat zorgt voor een permanente ‘crisis’. …. Met de autonomie van de kunst ontstaat dus ook de dichotomie tussen hoge en lage cultuur, waarmee we nog altijd niet goed raad weten.”

Bovenstaande zin gaf ons een van de discussiepunten. In de oriëntatiecursus van de opleiding Cultuurwetenschappen zegt de Open Universiteit geen verschil te maken tussen hoge en lage cultuur. In hoeverre is de OU in dit voornemen geslaagd? Wel voor een belangrijk deel, maar niet volledig.

Heumakers eindigt met een persoonlijke ontboezeming: “Mijn speculatie en verlangen betreft de esthetische autonomie, waarvoor ik ook na alle scepsis, ontnuchtering en afkoeling nog altijd een zinvolle rol zie weggelegd. …… Waar de werkelijkheid onbegrijpelijk wordt, daar weet alleen de literatuur er nog raad mee; zij heeft immers niet de ambitie om de onbegrijpelijkheid op te heffen, zij maakt er in het kunstwerk een ervaring van. ..…. Dat de literatuur hiertoe in staat is, komt doordat zij nooit helemaal tot die ene wereld behoort, en dat dankt zij weer aan het romantisch-moderne kunstbegrip, in het bijzonder aan het zo vaak verguisde fundament ervan: de esthetische autonomie.”

Al met al geeft Heumakers in zijn boek een prachtig overzicht van de geschiedenis van een korte maar boeiende periode van de filosofie. Het boek is mooi geschreven en laat de vele denkers die behandeld worden via citaten zelf aan het woord.