De ene opvatting van vrijheid gaat over de politieke betekenis van de negatieve vrijheid. Dat is de vrijheid om te kunnen handelen zonder tussenkomst van anderen. De negatieve vrijheid is groter naarmate er minder inmenging is in mijn zaken door anderen. De negatieve vrijheid is dus een vrijheid van. Dat klinkt goed maar het zal duidelijk zijn dat absolute negatieve vrijheid waarschijnlijk alleen maar kan bestaan voor de eenzame bewoner van een verder onbewoond eiland, een Robinson Crusoë. Hierbuiten zal de vrijheid van een persoon zo nu en dan moeten worden ingeperkt om de vrijheid van anderen te garanderen. Absolute negatieve vrijheid zal daardoor onmogelijk zijn. De kernvraag is dan wat het minimum is aan persoonlijke vrijheid dat we moeten behouden als we onszelf niet willen verloochenen.

De (politieke) tegenpool van negatieve vrijheid is de positieve vrijheid, de vrijheid tot, de vrijheid om iets te doen. Het gaat om de wens van een individu om over zichzelf meester te zijn. Je kunt dan je eigen doelen nastreven en je leven vorm geven zoals je wilt.

Deze twee vormen van vrijheid vormen de basis voor politieke ideologieën. Ook kunnen ze met elkaar strijdig zijn. Berlin merkt bovendien op dat er geen noodzakelijk verband bestaat tussen individuele vrijheid en democratisch bestuur. Berlijn werkt dit uit in een boeiend betoog. Enkele citaten:

  • Waar ligt de grens tussen mijn (rationeel bepaalde) rechten en dezelfde rechten van anderen?
  • In bestaande samenlevingen zijn rechtvaardigheid en gelijkheid idealen die nog steeds een zekere mate van dwang vereisen, …
  • Vrijheid is zelfbeheersing……Maar hoe moet ik weerbarstige menselijke wezens aanpakken?
  • Vrijheid is niet de vrijheid om het irrationele, domme of verkeerde te doen.

Interessant is het hoofdstuk waarin Berlin het begrip vrijheid in verband brengt met gelijkheid en broederschap. Hij schrijft: “De onvrijheid waarover mensen of groepen klagen, komt bijna altijd voort uit het ontbreken van werkelijke erkenning”. Berlin verwijst hierbij naar Kant die zei dat paternalisme het ergste despotisme is dat men zich kan voorstellen. Berlin schrijft vervolgens “Dit verlangen naar status en erkenning kan echter niet gemakkelijk worden geïdentificeerd met individuele vrijheid, niet in de ‘negatieve’ en evenmin in de ‘positieve’ betekenis van het woord.” Men accepteert meer van eigen mensen, dan van buitenstaanders. Maar toch ook: “Want het verlangen naar erkenning is in bepaalde opzichte inderdaad nauw verwant met de wens om een zelfstandige handelende persoon te zijn” en ook “Elke interpretatie van het begrip ‘vrijheid’, hoe ongewoon die ook is, moet zonder twijfel op zijn minst iets bevatten van wat ik ‘negatieve’ vrijheid heb genoemd.”

In het slothoofdstuk schrijft Berlin: “Pluralisme, met de daaraan inherente mate van ‘negatieve’ vrijheid, is in mijn ogen een waarachtiger en menselijker ideaal dan de doelen van hen die de grote geordende, autoritaire structuren als de ideale basis beschouwen voor het ‘positieve’ meester-over-zichzelf-zijn van klassen, mensen of de mensheid als geheel.”

We hadden veel waardering voor het boek van Berlin. De Nederlandse vertaling heeft een uitvoerig nawoord van de vertaler Hans Blokhuis.

Onze discussie spitste zich vooral toe op de vraag in hoeverre de ideeën van Berlin relevant zijn voor de situatie in het tegenwoordige Nederland. Voelen wij ons nog vrij in Nederland? Is de huidige wet- en regelgeving een (te ver gaande) aantasting van zowel onze positieve als negatieve vrijheid? Staat onze democratie onder druk? Zijn onze gedragsnormen vervaagd? In hoeverre worden de twee soorten van vrijheid aangetast door de economische omstandigheden van dit ogenblik? Heeft de democratie een antwoord op deze vragen? Enkele aanwezigen beschreven situaties die de indruk wekten dat we in een verschrikkelijke dictatuur leven, zonder dat we dit wisten.

Binnenkort

Recente berichten

Nóg meer nieuws